1890 – Voorburchtpoort Kasteel Nijenborgh

gemeentearchief Weert, Beekstraat 54, 6001 GJ Weert

Er zijn twee aspecten die bij de eerste aanschouwing van de poort vanaf de Biest direct opvallen, of eigenlijk drie. Meest bijzondere aspect van de poort, is dat de opstand links naast de doorgang een steen minder breed is dan de opstand rechts daarvan. De poortruïne als geheel, is dus van oudsher asymmetrisch! Dit wijkt zeker af van de norm, en het vinden van een deugdelijke verklaring voor dit verschil, is niet goed te geven. Mogelijk was ter rechterzijde van de doorgang nét iets meer breedte nodig dan links, in verband met een trap naar de geschutskelder onder het toenmalige straatniveau in de doorgang. Restanten daarvan zijn aangetroffen tijdens het archeologisch onderzoek van de voorburcht.

Een tweede aspect, de overhoeks gemetselde hoeken die overgaan in arkelachtige torenaanzetten (de rechter is vrijwel volledig verdwenen maar heeft er zeker gezeten), is ook vrij uitzonderlijk. Typologisch doet de opzet van de poortruïne het meest denken aan een poort met volledige flanktorens, zoals van de kastelen Persijn, Poelgeest, Westerbeek, Nijenrode en Batenburg. Poortgebouwen met arkeltorentjes komen voor bij de kastelen van Duurstede en Soelen. Van veel van deze poortgebouwen staat het bouwjaar niet vast. Poortgebouwen met overhoekse zijden, komen in de referentiebronnen geheel niet voor.

Veel makkelijker verklaarbaar, en direct in het oog springend, is het afgekapte metselwerk tussen de houten balk en de gemetselde korfboog. Meest waarschijnlijk heeft hier in het verleden een wapensteen gezeten. Dit moet een forse steen zijn geweest, zeker in relatie tot de relatief beperkte breedte en oorspronkelijke doorgangshoogte (de hoogte is later aangepast). Wanneer de wapensteen is verdwenen, is niet bekend.

Er zijn in het front meer zaken verdwenen in de loop der tijd. In de sponning onder de houten latei, op de overgang van metselwerk op natuursteen, viel oorspronkelijk het houten dek van een ophaalbrug weg. Daarmee kon de poort deugdelijk worden gesloten en onbereikbaar worden gemaakt. De scharnierpunten van het brugdek zijn niet meer aanwezig. Die scharnierpunten moeten op een kleine meter boven het huidige straatniveau hebben gelegen. Wanneer het brugdek is verdwenen, is niet zeker. Op de kaart uit 1703 is er nog sprake van een op te halen brug. Het straatniveau is op een bepaald moment een heel stuk verlaagd, door het wegbreken van de oorspronkelijke borstwering (een tweede onderdeel dat niet meer bestaat). Het brugdek zal vermoedelijk alleen zijn opgehaald in geval van dreiging. Op andere momenten zal de doorgang gesloten zijn met deuren die naar binnen toe openden. Die deuren zijn verdwenen. Vermoedelijk resteren hiervan alleen nog twee duimen aan de achterzijde, juist boven de boog. Duimen onderin de boog zijn niet aangetroffen. Mogelijk draaiden de deuren hier in taatspotten die verloren zijn gegaan met het verhogen van de doorgang door het wegbreken van de borstwerking (en het dek van de geschutskelder).

Verdwenen is ook de rechter ‘arkeltoren’. Wanneer dit gebeurde, is niet bekend. Het torentje is al niet meer te zien op de oudst bekende tekening van de poort (1841). Op die tekening zijn overigens heel goed de braaksporen te zien van de gesloopte borstwering. Van de verdwenen ‘arkeltoren’ is de natuurstenen aanzetsteen te zien, alsmede nog enkele overhoeks gemetselde bakstenen daarboven. Dit bevestigt dat het torentje er geweest is. Hoe de torentjes waren gedekt, is niet bekend. Meest waarschijnlijk hebben er op de torentjes kleine spitsen gestaan.

Het front is zoals gesteld, in baksteen opgetrokken. Er is in kruisverband gemetseld, een verband dat in de middeleeuwen al werd toegepast en tot vandaag de dag wordt gebruikt. Op rechte hoeken zijn klezoren gebruikt in de koppenlagen. In verschillende delen van het land is de toepassing van klezoren een dateringsmiddel, maar niet in Limburg, waar ze tot in de eerste helft van de negentiende eeuw werden toegepast. Om het kruisverband tot stand te kunnen brengen, is in iedere tweede strekkenlaag één kop in het zichtvlak toegepast. Op die manier verspringen de strekken iedere volgende strekkenlaag een halve steen. Het metselwerk is opvallend regelmatig. Er zijn nauwelijks verstoringen (bouwsporen) in het metselverband aanwijsbaar. Klezoren zijn ook toegepast in de overhoekse geveldelen, wederom in de koppenlagen. De overhoekse delen zijn vier strekken breed. Ook hier is het kruisverband gerealiseerd door in de strekkenlagen om en om koppen toe te passen.

In het metselwerk is, boven de doorgang en vóór de poort, een (dubbele) eikenhouten latei aanwezig. Aangenomen werd dat deze balken later werden toegevoegd. Bouwkundig is dat echter alleen mogelijk ná verwijdering van een deel van het metselwerk om oplegging mogelijk te maken. Op geen enkele andere manier kunnen balken in bestaand werk worden ingepast. Nu wil het geval dat we van het wegbreken van metselwerk ten behoeve van de balken geen enkel spoor zien. Sterker nog, ter plaatse van de balken verkeert het metselwerk in uitstekende staat. We zien strak metselwerk met zeer zuiver met klezoren uitgevoerde dagkanten. Daarbij komt nog dat de balken aan de bovenzijde in de lengterichting zijn verankerd met het muurwerk aan weerszijden. Dit soort opleg- en trekankers is eigenlijk alleen tijdens de bouw aan te brengen. De schieter van het anker is volledig ingemetseld, op de veer van de ankers (met smeedijzeren nagels aan het hout bevestigd) rust het metselwerk van de boogvulling. De enige manier waarop de houten balken secundair kunnen zijn, is wanneer al het werk boven de balk van latere datum is. Er is zoals gesteld niets dat daar op wijst. Opvallend aan de tweede balk, is dat de balkkop is gelipt, waarbij de lip voorlangs de natuurstenen boog het metselwerk in gaat, maar de rest van de balk niet.

Balk en boog horen duidelijk bij elkaar. Dit kunnen we opmaken uit de wijze waarop de boog ontspringt. Het is vanuit constructief oogpunt niet wenselijk geweest om de boog volledig aan te zetten op de balk. Een balkkop is, zeker op den duur, minder goed in staat om de krachten van de boog (en het metselwerk daarboven) deugdelijk af te dragen op het metselwerk daaronder. Hierdoor ontstaat een visueel wat eigenaardige situatie waarbij de dagkant van de doorgang niet aansluit op de aanzet van de boog daarboven, een gegeven dat aanvankelijk wat verwondering teweeg bracht, maar constructief dus goed verklaarbaar is.

Dat balk en boog bij elkaar horen, houdt ook in dat er van meet af aan sprake moet zijn geweest van opvulling tussen beide. De genoemde legankers van de balken maken het aannemelijk dat de huidige vulling met baksteen oorspronkelijk is. In de vijftiende en zestiende eeuw was het gebruikelijk om boven kasteelpoorten imposante in natuursteen uitgevoerde gevelstenen te verwerken. Denk bijvoorbeeld aan het circa 1,3 meter hoge wapensteenfragment dat secundair is ingemetseld in de in de negentiende eeuw opnieuw opgetrokken hoektoren van het huidige huis ‘Op de Biest’. Dit fragment, 18 lagen baksteen in hoogte, lijkt overigens nét te groot voor de ruimte tussen balken en boog, al moeten we wel bedenken dat de steen in theorie ook iets voor de houten balken langs kan hebben gestoken (ter plaatse zien we duidelijk andere verwering van de voorste balk). Verwijdering van de veronderstelde sier- of wapensteen heeft waarschijnlijk gezorgd voor schade aan de achterliggende bakstenen. Door vorst en overwoekering door klimplanten kan die schade zijn vergroot, met het huidige schadebeeld (aanvankelijk werd gedacht aan kap- en beitelschade) als gevolg. Bovenin de baksteen vulling, zijn enkele gaten te zien die secundair ogen. Wellicht zijn de gaten oorspronkelijk kleiner geweest en hebben er ankers in gezeten waarmee een wapensteen kon worden vastgezet. Het is denkbaar dat de gaten groter zijn geworden na verwijdering van ankers en nadien door klimplanten.

In te top van de anderhalve steen hoge boog is aan de voorzijde ook schade ontstaan. Hoe dat heeft kunnen gebeuren, is bouwhistorisch niet na te gaan. Boven de boog is metselwerk verdwenen. Alleen links boven de boog is nog een pluk metselwerk aanwezig, dit is in verband gemetseld met het metselwerk ter linkerzijde. Verondersteld mag worden dat dit metselwerk, 2,5 stenen dik, niet boven de verdwenen dakvoet van de ‘arkeltorentjes’ zal zijn uitgekomen, wellicht is er een boogfriesje geweest. Het is niet duidelijk of dit metselwerk blind is geweest, of dat er midden boven de boog een vensteropening heeft gezeten, zoals vaker voorkomt. In het breukvlak van het resterende metselwerk is geen dagkant te herkennen. Vlak boven de boog eindigen wel vijf baksteenlagen in het gevelvlak in lijn. Dit bouwspoor zou wel eens verband kunnen houden met een ondiepe holte waarin nóg een natuurstenen gevelsteen heeft gezeten. De kans dat het hier gaat om inboet/consolidatiewerk (er is wel in kalkmortel gevoegd, dus dan moet het vroeg herstel zijn), is niet erg waarschijnlijk, omdat we de verticale lijn/sprong in het metselwerk al op laat negentiende-eeuwse foto’s van de poort zien.

Wat er tijdens de bouwhistorische verkenning niet werd aangetroffen, zijn gaten aan weerszijden van en boven de boog. Hier werden gaten verwacht ten behoeve van brugbalken of als geleiders van kettingen waarmee het brugdek tegen het poortfront kon worden opgetrokken. Aan de achterzijde van de poort is op de plek waar een dergelijk gat of sleuf wordt verwacht, een stuk natuursteen aangetroffen, echter slechts aan één zijde. Op de tekening uit 1841, welke een zeer betrouwbare indruk maakt aan de hand van zaken die verifieerbaar zijn, zijn sporen van een kettingdoorvoer niet te zien.

De linker arkeltoren
Het ‘arkeltorentje’ op de hoek, rijst op vanaf de overhoeks gemetselde hoeken van de ruïne. In de basis is het torentje hexagonaal. De overgang van het overhoekse metselwerk op het torentje geschiedt door middel van uitkragende natuurstenen consoles, waarvan de middelste in aanzicht het grootst is. Deze wordt ondersteund door een natuurstenen kraagsteen/console waarvan het profiel grotendeels is verdwenen. Rechts van de poort is de kraagsteen/console wel intact, en kan worden vastgesteld dat er sprake is geweest van een vrij archaïsch kwartrond profiel. Er worden op dit soort consoles wel eens portretkopjes aangetroffen, maar niet hier. De drie blokken die de basis van de ‘arkeltoren’ vormen, zijn op de hoekpunten aan de onderzijde uitgevoerd met een afschuining, vermoedelijk om op die manier de overgang wat minder hard te maken.
Het torentje heeft twee volledige zijden en twee onvolledige zijden die in verband zijn gemetseld met het metselwerk dat op de toren aansluit. Wat direct in het oog springt, zijn de natuurstenen hoekblokken die zijn toegepast. Horizontaal zijn tussen de blokken natuursteen steevast zeven lagen metselwerk toegepast. Verder valt op dat de onderste en bovenste blokken natuursteen een hoogte hebben die overeenstemt met drie bakstenen en dat de blokken natuursteen daartussen twee lagen baksteen hoog zijn. Wanneer we hierin een motief menen te mogen herkennen, dan is het aannemelijk te maken dat de dakvoet van de arkeltorentjes zeven bakstenen boven de bovenste blokken natuursteen moet hebben gezeten. Dat is de huidige hoogte, met dien verstande dat de bovenste lagen metselwerk opnieuw zijn aangebracht (de bakstenen kleuren hier donkerder, bijna paars).

Bron: BAAC | Bouwhistorische verkenning Kasteel Nijenborgh