Wapen Bart MaesWEERT IS
VERANDERD
Terug naar het archief

1461–1462 · Deel 1 van 5 · Biest

Van kasteel tot kerkje: het begin van de Paterskerk in 1461

Wie langs de Paterskerk aan de Biest loopt, ziet een gebouw waaraan eeuwenlang is gewerkt. Het begin ligt in 1461, toen de Minderbroeders zich vestigden op het terrein van kasteel Aldenborch. Hun eerste kerkje was klein en stond dwars op de kerk die we nu kennen. Bouwsporen brachten dat vroege verleden later weer aan het licht.

Dit is het eerste deel van een vijfdelige reeks over het ontstaan van de Paterskerk en het kloostercomplex dat bekend werd als Hieronymus. We volgen de beschrijving die pater Hilarinus van Rooy in 1931 publiceerde. Zijn verslag vertelt wat bij werkzaamheden in en rond de kerk werd aangetroffen, maar bevat ook vragen waarop hij geen definitief antwoord kon geven.

Onder de kerk lag een kasteel

Aldenborch, ook geschreven als Aldenborgh, was de oude burcht van de heren van Horne. De naam onderscheidde het gebouw van zijn opvolger, de nieuwe burcht. Toen de paters er kwamen, kreeg het terrein een andere bestemming. Van een adellijk onderkomen werd het een plaats van gebed en kloosterleven.

Bij werkzaamheden voor de verwarming trof men onder de sacristiemuur een gewelfde boog aan. Onder de vloer bij een nieuwe kooringang kwam bovendien een deel van een wenteltrap tevoorschijn. Van Rooy beschouwde dit als aanwijzingen voor de oudere kasteelbebouwing. Broeder Stanislaus van Schadewijk legde de buiten de kerk aangetroffen muurresten vast op een tekening.

Ook beschreef Van Rooy gangen bij een keldertje onder het Sint-Antoniusaltaar. Mogelijk waren die later gebruikt als grafkelder of toegang tot graven. Op verschillende plaatsen werden menselijke beenderen gevonden. Hoe alle gangen en ruimten oorspronkelijk met elkaar verbonden waren, bleef onzeker.

Binnen een jaar een kloosterkerk

Volgens het verslag waren het eerste klooster en kerkje tussen 1461 en 1462 gereed. Dat korte tijdsbestek wijst op hergebruik van bestaande gebouwen, aangevuld met een bescheiden kerkruimte. Het kerkje had een hoofdaltaar aan de oostkant en een zijaltaar aan de noord- en zuidzijde.

Van Rooy reconstrueerde een gebouw van ongeveer zeven meter breed. Twee grote muurdelen aan de kloosterzijde waren volgens hem overblijfselen van dit eerste kerkje. Ze sloten niet in steenverband aan op het latere metselwerk. Boven de gewelven zag hij zelfs een kier tussen oud en nieuw.

Een houten hemel

Het eerste kerkje had een houten gewelf. Boven de later aangebrachte gewelven bleven gebogen ribben bewaard, met sleuven waarin ooit houten beschotten zaten. Samen vormden ze een gotische overwelving. De muren waren aanvankelijk niet witgekalkt.

Hoe lang het kerkje precies was, kon de auteur niet vaststellen: de afsluitende muur aan de kant van de Biest was niet teruggevonden. Wel maakte zijn onderzoek duidelijk dat het gebouw in fasen was ontstaan. In 1512 kregen de Minderbroeders toestemming tot uitbreiding. Veertien jaar later werd de vergrote kerk gewijd.

In deel 2: hoe zag de Paterskerk eruit bij haar wijding in 1526?

Bron: hedendaagse bewerking van Hilarinus van Rooy, ‘Onze vroegere Weertsche kloosterkerk’ (1931), uit de reeks ‘Uit het verleden’. Gebruikte passages: p. 584–593 en 636–643. De beschreven bouwsporen en verbouwingen zijn die uit het historische verslag; vermoedens van de auteur zijn als zodanig weergegeven.

Paterskerk Weert, dynastieke grafkerk graven van Horne — Art-is mediagroep

Foto: Collectie Weertisveranderd

Gepubliceerd op 12 oktober 2026

Bronnen bij dit verhaal

Deel het verhaal

Kent u iemand die dit herkent?