Wapen Bart MaesWEERT IS
VERANDERD
Terug naar het archief

Vanaf 1526 · Deel 3 van 5 · Biest

De kasteeltoren die geen kasteeltoren bleek: geheimen van het koor

Een oude trap spreekt tot de verbeelding. Zeker wanneer het verhaal gaat dat hij nog bij een verdwenen kasteel hoorde. In de Paterskerk werd de wenteltrap bij het Maria-altaar lange tijd met kasteel Aldenborch verbonden. Pater Hilarinus van Rooy kwam in zijn bouwkundige verslag van 1931 tot een andere conclusie.

Dit derde deel van de reeks draait om twee plekken waar het gebouw onverwacht veel prijsgaf: de trap en het koor, de ruimte rond het hoogaltaar.

Het metselwerk sprak tegen

De wenteltrap vormde volgens Van Rooy één geheel met de kerkmuur en de steunbeer ernaast. De stenen waren in verband gemetseld. Hij zag geen bouwnaad die op een oudere, later ingesloten toren wees. Daarom rekende hij de trap tot de kerk van 1526, niet tot het kasteel.

De kleine vensters maakten de geschiedenis nog ingewikkelder. Onderaan gaven ze licht vanuit de kerk; bovenaan keken ze naar de kloosterzijde. Volgens zijn uitleg had het bovenste deel eerst vrij gestaan, terwijl de onderkant al door bebouwing was omsloten. Een kalkspoor wees op een vroeger aansluitend dakje.

Op ongeveer een meter afstand werd onder de vloer wél een ouder stuk wenteltrap gevonden. Als er een trap bij het kasteel had gehoord, zo redeneerde Van Rooy, dan kwam juist dat ondergrondse restant daarvoor in aanmerking.

Een gevangenis of een uurwerkkamer?

Achter de trap lag een vierkante ruimte die diep onder het toenmalige vloerniveau doorliep. Er bestond een overlevering dat het onderste gedeelte de carcer, de kloostergevangenis, was geweest. Van Rooy hield die mogelijkheid open, maar kon haar niet bewijzen.

Hij beschreef een houten vloer en twee lage doorgangen, naar kerk en klooster. Dat gevangenen van daaruit de mis zouden hebben kunnen volgen, was een veronderstelling. Een andere functie liet duidelijker sporen na: in deze ruimte hingen de gewichten van het uurwerk. Oude stenen gewichten waren blijven liggen nadat ze door ijzeren exemplaren waren vervangen.

De muren rond het altaar

Bij het hoogaltaar werden verschillende dichtgemaakte nissen ontdekt. Een ervan bevatte een hardstenen wasbekken, een lavabo, met een spitsboogvormige omlijsting. In een andere zaten eikenhouten plankjes. Daar hadden mogelijk de ampullen met water en wijn gestaan.

Een grotere holte werd in verband gebracht met een credenstafel, waarop benodigdheden voor de mis werden klaargezet. Een kast met een zware deur had wellicht kostbaarheden beschermd. Het waren aanwijzingen voor het dagelijkse gebruik van het koor, al bleef de precieze functie van sommige nissen onzeker.

Steeds weer een nieuwe doorgang

Ook het koor zelf was veranderd. Van Rooy vond fundamenten van een oudere afsluiting, ongeveer 3,10 meter vóór de toenmalige. In de muur zaten sporen van meerdere achtereenvolgende ingangen. Dichtmetselen, uitbreken en opnieuw indelen hadden het metselwerk plaatselijk verzwakt.

De Paterskerk bleek daarmee een gebouw waarin oude functies steeds plaatsmaakten voor nieuwe. Een deur verdween, een kast werd dichtgezet en een doorgang werd opnieuw ontdekt. Juist die kleine ingrepen maakten de bouwgeschiedenis leesbaar.

In deel 4: hogere daken, nieuwe gewelven en een vloer die laag voor laag omhoogkwam.

Bron: hedendaagse bewerking van Hilarinus van Rooy, ‘Onze vroegere Weertsche kloosterkerk’ (1931), uit de reeks ‘Uit het verleden’. Gebruikte passages: p. 584–593 en 636–643. De beschreven bouwsporen en verbouwingen zijn die uit het historische verslag; vermoedens van de auteur zijn als zodanig weergegeven.

Beeld: Collectie Weertisveranderd

Gepubliceerd op 14 oktober 2026

Bronnen bij dit verhaal

Deel het verhaal

Kent u iemand die dit herkent?