Wapen Bart MaesWEERT IS
VERANDERD
Terug naar het archief

1526 · Deel 2 van 5 · Biest

De Paterskerk van 1526: twee beuken onder een houten gewelf

In 1526 werd de vergrote kloosterkerk van de Minderbroeders in Weert gewijd. Haar hoofdvorm bleef herkenbaar, maar binnen zag het gebouw er anders uit dan op oude foto’s. Boven de kerkgangers bevond zich een houten gewelf. Langs een van de beuken lagen kleine kapellen met eigen altaren.

In dit tweede deel volgen we de reconstructie van pater Hilarinus van Rooy uit 1931. Hij las de geschiedenis af aan metselwerk, dichtgemaakte doorgangen en sporen boven de gewelven.

Vergroot, hersteld en herbouwd

Van Rooy verwees naar het handschrift van Van Steen. Daarin werd de kerk van 1526 omschreven als vergroot, hersteld en herbouwd. Omdat hij geen verwoesting vóór dat jaar kende, vermoedde hij dat men het kerkje van 1461 grotendeels had afgebroken en enkele delen in een groter gebouw had opgenomen.

De nieuwe kerk had twee beuken van ongeveer gelijke hoogte. Dikke ronde pijlers droegen een verbindingsmuur met gotische bogen. Die muur reikte volgens het onderzoek ongeveer een meter hoger dan de latere verbinding. Boven beide beuken zat een houten gewelf.

Het metselwerk was aanvankelijk onbepleisterd. Van Rooy zag boven de latere gewelven nog zorgvuldig afgewerkte muurdelen en een lichte band van mergelsteen. Zulke plekken, meestal aan het oog onttrokken, hielpen hem zich een voorstelling te maken van de oorspronkelijke ruimte.

Zes altaren aan de kant van het kerkhof

De linkerbeuk bleek vroeger ruimer te zijn geweest. Achter een dunne muur lagen gewelfde nissen. Van Rooy bracht die in verband met de zes zijaltaren die volgens de oude beschrijving in 1526 aan de kerkhofzijde waren gewijd. Hij vermoedde dat gilden of broederschappen deze kleine kapellen gebruikten.

Bouwdelen die later bij het klooster hoorden, vormden volgens zijn reconstructie ooit een deel van de kerk. In muren van de oude bibliotheek herkende hij de bovenkanten van gotische ramen. Onder die ramen zouden de kapellen hebben gelegen. Steunberen die eerst de buitenmuur ondersteunden, raakten door latere bebouwing binnen ingesloten.

Ook een restant van het eerste kerkje bleef in de linkerbeuk opgenomen. Gotische bogen en later dichtgemetselde openingen wezen erop dat de kerk daar ooit verder doorliep.

Begraven onder de vloer

Bij de werkzaamheden kwamen in verschillende delen van de kerk skeletresten aan het licht. De ruimte had dus ook als begraafplaats gediend. In de rechterbeuk werden bovendien fundamenten gevonden van een oudere afsluiting bij het koor.

Andere vondsten bleven raadselachtig. Onder een raam bij de hoofdingang zat een dichtgemaakte nis van ruim twee meter hoog en breed. Waarvoor die had gediend, wist Van Rooy niet. Een spitsboogvormige opening tussen de beuken kon hij wel als voormalige toegang tot het koor duiden.

Zo ontstond het beeld van een kerk die door de eeuwen heen steeds opnieuw werd ingedeeld. Wat op het eerste gezicht een gesloten muur leek, kon vroeger een doorgang, raam of kapel zijn geweest.

In deel 3: de zogenaamde kasteeltoren en de verborgen sporen rond het koor.

Bron: hedendaagse bewerking van Hilarinus van Rooy, ‘Onze vroegere Weertsche kloosterkerk’ (1931), uit de reeks ‘Uit het verleden’. Gebruikte passages: p. 584–593 en 636–643. De beschreven bouwsporen en verbouwingen zijn die uit het historische verslag; vermoedens van de auteur zijn als zodanig weergegeven.

Foto: Collectie Weertisveranderd

Gepubliceerd op 13 oktober 2026

Bronnen bij dit verhaal

Deel het verhaal

Kent u iemand die dit herkent?