1890 – Weerter Martinusbeeld vertrok in de 19e eeuw naar Parijs

1890 - doopvont zonder Martinus beeld

Het laatmiddeleeuwse Martinusbeeld dat ooit de doopvont van de Sint-Martinuskerk in Weert sierde, heeft een opvallende reis afgelegd. Het kunstwerk, omschreven als een St. Martinus te paard in witgegoten koper uit de vijftiende eeuw, werd in de negentiende eeuw niet alleen als kerkelijk erfgoed gewaardeerd, maar ook als object van grote artistieke betekenis.

Dat blijkt al uit de notulen van het kerkbestuur van april 1883. Daarin staat dat het beeld, samen met enkele andere kostbaarheden uit de kerk, werd uitgeleend voor de Amsterdamse Wereldtentoonstelling. Behalve het Martinusbeeld ging het onder meer om een beeldje van Onze Lieve Vrouw in wit marmer uit de veertiende eeuw, een vijftiende-eeuwse Paaskandelaar en een zilveren wijwatervat of emmertje met tweemaal het wapen van Filips van Montmorency, graaf van Horne. Het Martinusbeeld bevond zich dus in gezelschap van de topstukken van de kerkelijke collectie.

In juli 1889 kwam er een concreet verzoek tot verkoop van een antiquair uit Parijs. Hij bood 4.000 Franse francs voor het koperen Martinusbeeld en daarnaast bedragen voor andere objecten, waaronder de oude monstrans, het zilveren emmertje en de koperen paaskandelaar. Het kerkbestuur besloot het Martinusbeeld voor 4.000 Franse francs af te staan, evenals de monstrans voor 2.100 francs, onder voorbehoud van goedkeuring door de bisschop. De twee andere stukken werden op dat moment nog niet verkocht. Omgerekend vertegenwoordigt die 4.000 francs tegenwoordig een tegenwaarde van ongeveer 12.500 euro.

Opmerkelijk is dat bij de verkoop van het Martinusbeeld werd bedongen dat er een replica moest worden gemaakt. Daarmee wilde men kennelijk voorkomen dat de herinnering aan dit markante stuk volledig uit Weert zou verdwijnen. Dat wijst erop dat het kerkbestuur zich bewust was van de bijzondere betekenis van het beeld, ook al koos men uiteindelijk voor verkoop.

Huidige Sint Marinus beeldje op de doopvont

Uit notulen van januari 1892 blijkt bovendien dat de verkoop van kerkelijke kunstvoorwerpen in die jaren breder speelde. Toen werd besloten goedkeuring te vragen voor de verkoop van het zilveren emmertje en de paaskandelaar aan een antiquair uit Parijs voor 3.500 Franse francs, op voorwaarde dat van beide stukken kosteloos een facsimile zou worden geleverd, zo getrouw mogelijk aan het origineel, zelfs wat gewicht van zilver en koper betreft. De opbrengst zou worden gebruikt voor de aanschaf van nieuwe zitbanken in de kerk. Die passage laat zien dat financiële motieven een rol speelden, maar ook dat men belang hechtte aan het bewaren van een zichtbare herinnering aan de oude stukken.

Over het oorspronkelijke Martinusbeeld wordt in diverse latere publicaties vermeld dat het zich in een museum (British Museum of Victoria & Albert Museum) in Londen zou bevinden. Welk museum dat precies is, wordt daarbij niet altijd genoemd. Zeker is in elk geval dat het Weerter beeld al in de negentiende eeuw de aandacht trok van verzamelaars en handelaren buiten Nederland, en dat het werd beschouwd als een kunstwerk van zodanige kwaliteit dat men er internationaal belangstelling voor had.

Bron: Herman Mathijsen