1932 – Bassin

In 1932 werd vanwege de aanleg van de nieuwe Sluis 16 het kanaal ‘leeggelaten’. In 1826 werd de Zuid-Willemsvaart in gebruik genomen.

Reacties:
‘De foto kan wat ouder zijn dan 1932.  Mijn vader, de heer Smits, kocht in 1928/29 huisnummer 3 van Mevrouw Vermeulen-Bos, die toen mogelijk in geldproblemen zat en bouwde daar een huis en deel van de loodsen. Architect Pierre Stultiens en aannemer Jean Nies (grootvader van Frits Nies). Mevrouw Vermeulen had de failliete boedel van Klumpkens houthandel overgenomen en was zelf in de problemen gekomen.
In 1932 is men inderdaad met de plannen voor sluis 16 begonnen, maar het kanaal heeft vaker drooggestaan. Vaak door werkzaamheden in België. Hier zijn ooit “kamervragen” over gesteld. In 1958 is het pand verkocht aan Maan Mertens, die het weer overdroeg aan de Wilma en uiteindelijk werd hier La Corona gebouwd. De gebouwen op de kade, zijn de pakhuizen en keten van de verschillende beurtvaartondernemingen die wekelijks Weert aandeden. De kademuur is van rond 1888, om de haven te ontlasten. Her werden veel hout en losse producten opgeslagen, die de passagiersboten hinderden. Het hoekpand aan het Bassin diende jaren als belastingkantoor van de belastingen, waar Pierre Linssen diverse jaren kassier (gemeenteontvanger) was.’ Tekst: Jan Smits

De Knaal werd regelmatig leeg gelaten om rommel op te ruimen die daarin werd geloosd en zandbergen te lokaliseren. Die werden dan later met een baggermolen verwijderd.
Direct na de oorlog werden zo alle weggegooide wapens en munitie opgespoord en verzameld. En dat was een flinke berg oud ijzer. Zowel van Nederlandse militairen als gevluchte Pruuse. Zonder dat tuig kon je harder lopen.” Tekst: Bert Adriaens
‘Mijn opa, Wout Schoenmaekers, op 19 jan 1887 geboren op Hösseve, vertelde vroeger altijd dat als “de Knaal” lieëg stong ze met een vork “Aolpoeëte” (modderalen) gingen vangen. Ze liepen dan door het kanaal en zochten met de blote hand in laag water en in de modder naar vis. Als ze er dan een gevonden hadden prikten ze die met de vork als een soort drietand uit het water.’ Tekst: Hans van Winssen.