1436 – Was Abdij Maria Wijngaard een Begijnhof?

Wie vandaag door de Maasstraat loopt, ziet weinig meer terug van het oorspronkelijke klooster dat hier bijna vier eeuwen het straatbeeld bepaalde. Toch bevond zich op deze plek – de huidige abdij Maria Hart van de zusters Birgittinessen- een religieuze gemeenschap die uitgroeide tot een belangrijk geestelijk centrum van Weert: het klooster Maria Wijngaard, bewoond door kanunnikessen van Sint-Augustinus.

Begijnen
De oorsprong van Maria Wijngaard ligt in de eerste helft van de vijftiende eeuw. Drie vrome vrouwen kozen in Weert voor een teruggetrokken religieus leven. Zij leefden aanvankelijk volgens de derde regel van Franciscus. Dat wijst sterk op een begijnachtige oorsprong: vrouwen die in gemeenschap samenleefden, zonder direct onder een strikte kloosterregel te vallen. In deze periode ontstonden in veel steden in de Maas-Rijnregio dergelijke gemeenschappen. Onder invloed van kerkelijke hervormingen werden zij later vaak opgenomen in een officiële orde. Ook in Weert verliep het zo.

In 1436 worden Lambrecht Gyskens als geestelijk leider en Geertruid Gyskens uit Sevenum als moeder-overste genoemd. De gemeenschap groeide snel. In 1442 gaf de bisschop van Luik toestemming voor de bouw van een kapel — een belangrijke stap richting formele erkenning. In 1453 staat graaf Jacob I toe dat de zusters, maximaal 60, zich in Weert mogen vestigen. In 1456 namen de zusters het habijt van de orde van Sint-Augustinus aan en sloten zij zich aan bij de congregatie van Windesheim, onderdeel van de Moderne Devotie. Daarmee werd de oorspronkelijk begijnachtige gemeenschap een officieel klooster van kanunnikessen.

In het begin van de zestiende eeuw stond Maria Wijngaard onder leiding van Amelia van Horne, dochter van Jacob II van Horne. Zij trad in 1507 in en werd priorin van het klooster. Dat verklaart ook de duidelijke band met het grafelijk huis van Horne, dat in deze periode Weert bestuurde. Toen in 1525 de bouw van een nieuwe kloosterkerk begon, was Jacob III van Horne graaf. Amelia was zijn zuster. De aanwezigheid van de graaf bij de aanvang van de bouw onderstreept dat Maria Wijngaard kon rekenen op grafelijke steun. De kerk werd op 20 april 1539 ingewijd door de Luikse wijbisschop Gideon van der Gracht. Het klooster had daarmee een representatief kerkgebouw dat zijn positie in de stad bevestigde.

De Beeldenstorm van 1566 en de roerige jaren die volgden lieten ook Maria Wijngaard niet ongemoeid. De gebeurtenissen uit die periode zijn vastgelegd in de kroniek van zuster Maria Luyten — een zeldzame inkijk in het kloosterleven in onzekere tijden. Toch kende het klooster ook bloeiperiodes. In 1741 telde de gemeenschap 33 leden. Zelfs tijdens de hervormingen van keizer Jozef II bleef het complex aanvankelijk gespaard.

Franse bezetters
De periode 1783-1786 werd gekenmerkt door de vele plakkaten, die keizer Jozef II op het gebied van de godsdienst uitvaardigde. Op 17 maart 1783 verordonneerde hij de opheffing van de kloosters van de contemplatieve orden, omdat deze nutteloos zouden zijn. Op 13 april werd het klooster van de Reguliere Kanunniken opgeheven, maar op verzoek van de Weertenaren weer in ere hersteld. Hetzelfde gebeurde met het klooster van de Witte Nonnen. Weert telde op 12 juni 1784 overigens 5.583 inwoners, onder wie 103 geestelijken en 76 religieuzen. Op 10 februari 1797 werden de Witte Nonnen uit hun klooster aan de Maasstraat verdreven, waar op dat moment 25 zusters woonden. De laatste priorin was Clara Elisabeth Gommers; haar subpriorin was zuster A.F. Bocholts. Een schriftelijk protest mocht niet baten. Op 14 september 1803 werd het klooster voor 8200 francs verkocht aan zes personen. In 1836 werd de kerk afgebroken.

Begraafplaats
Behalve in de kerk en op het kerkhof van de Minderbroeders blijken ook in de kerk en op
het kerkhof van de Wittevrouwen aan de Maasstraat personen begraven te zijn, die niet tot
de kloosterfamilie behoorden. Toen er in 1779 een geschil was ontstaan tussen de parochie
St.-Martinus en het zustersklooster over het begrafenisrecht van niet-kloosterlingen, maakten de zusters een lijst op van alle niet-kloosterlingen die sinds 1548, voor zover hun
bekend, in hun kerk of op hun kerkhof ter aarde waren besteld. De lijst telt 43 namen.

Brief graaf Jacob I (uit 1453, gemeentearchief Weert)
Wir Jacob Greue toe Huerne here tue Althonae toe Montengys und toe Corttersem doin kont allen luyden. Ende bekenne mit dese brieue voer onss eruen ende naecomelingen dat wir belieft ende consentiert hebben. Belieuen ende consentieren mit desen brieue sulcke vergaderinge van susteren vander derden, ReguIen sinte franciscus orden. Als vergadert sijn toe Weerdt in onsen lande van Huerne ende hebben denseluen omme goetz willen ende toe verbeteringhe honre Neringen previlegien ende vesten gegont ende gegeuen als hier nae beschreuen volgen. Inden iersten dat alle eruen ende guedt gereydt ende ongereydt dat tij nu op dach datum des brieffs hebben ende besitten van nu voert aen erffljck ende ewelick sullen hebben ende behalden ende dessgelijcks moegen die susteren die daer in sijn oH hiernaemaels comende weerden hoere weederlijck erue ende guedt daer in brengen en dat hoere leuen lanck besitten ende voert erfflick aerinne laeten Beheltelick dat die noiste erffgenamen sulgher suster die hoer goet alsoe daer inne bringende weerde mach bynnen den noisten Jaere nae hoere doet dat erue oH erffljck guede loessen mit seuen penningen daer dat erue acht penningen weerdt wese dat is eyn guet twintich gulden weerdt is mach die naeste erHgename lossen mit achteendenhaluen ende alsoe voert nae beloupe des guets mit beloupe des gelts. Ende alle vuersz. punten sullen staen in sukken vuerwaerden Soe wat guets sij nu hebben off hernamaels krijgen dat sij onss daer van Schatz dienstes beeden ende Rechtz gehoersam sullen sijn ende dat oH die guede van on ss oH van onsen Ampluyden ontfangen gueden ende ontgueden gelijck als des guets recht gelegen ende aen hoen comen is I ende beheltelijck onss ende onsen naecomelingen onsel’ heirlicheyt ende Rechten ende sij en sullen boeuen tzestich personen nyet hal den I soe byechter I mueder I ende susteren I Des tue orkonden hebben wir Jacob Greue tue Huerne vu ers. onsen Siegel aen desen brieff doen hang hen inden Jaere onss Heren dusent vierhundert ende drijenvijftich … ‘opden Sondaghe …

Wij, Jacob, graaf van Horne, heer van Altena, van Montigny en van Kortessem, maken hierbij aan allen bekend en erkennen met deze brief, voor onszelf, onze erfgenamen en nakomelingen, dat wij hebben goedgekeurd en toegestaan — en bij deze goedkeuren en toestaan — dat een gemeenschap van zusters volgens de derde regel van de orde van Sint-Franciscus, die zich heeft verzameld te Weert in ons land van Horne, wordt gevestigd.

Wij hebben deze zusters, uit godsvrucht en ter bevordering van hun bestaan, privileges en vrijheden verleend, zoals hieronder beschreven.

Ten eerste bepalen wij dat alle goederen en bezittingen, roerend en onroerend, die zij op de datum van deze brief bezitten, voortaan erfelijk en voor altijd hun eigendom zullen zijn en blijven. Eveneens mogen de zusters die nu deel uitmaken van de gemeenschap, of later zullen toetreden, hun persoonlijke erfdeel en goederen inbrengen in het klooster en deze levenslang bezitten, waarna deze erfelijk binnen de gemeenschap mogen blijven.

Met dien verstande dat de naaste erfgenaam van een zuster die haar goederen in het klooster heeft ingebracht, binnen één jaar na haar overlijden het ingebrachte erfgoed kan terugkopen. Dit kan tegen een vergoeding van zeven penningen voor elke acht penningen waarde van het goed. Dat wil zeggen: wanneer een goed twintig gulden waard is, mag de naaste erfgenaam dit lossen tegen achttien en een halve gulden, en zo verder naar verhouding van de waarde van het goed.

Alle bovenstaande bepalingen gelden onder de voorwaarde dat de zusters van alle goederen die zij nu bezitten of later verkrijgen, aan ons de verschuldigde schatting, diensten en rechten zullen voldoen en ons gehoorzaam zullen zijn volgens het recht dat op die goederen rust. Eveneens behouden wij en onze nakomelingen onze heerlijke rechten.

Verder bepalen wij dat zij niet meer dan zestig personen in hun gemeenschap mogen hebben, inclusief biechtvader, moeder-overste en zusters.

Ter bevestiging hiervan hebben wij, Jacob, graaf van Horne, ons zegel aan deze brief doen hangen, in het jaar van onze Heer 1453, op zondag …