1915 – Begijnhof

GAW 2162

1915 – De voormalige Begijnhof in Weert, gezien vanaf de Emmasingel.

Deze hoeve was eigendom van de zusters in de Maasstraat. In de Franse tijd na confiscatie in het openbaar verkocht. In 1842 is Francis Lodewijk Meijers, belastingontvanger te Helden, later Thorn, eigenaar. Na zijn overlijden in 1856 verkoopt zijn dochter, Petronella Josephine Louise Lucia Rubens-Meijers de boerderij aan Burgemeester Winand Coenen. Daarna volgen zijn zonen Louis en Augustinus. In 1917 wordt verkocht aan Peter Hubert Alphons Rutten die overgaat tot sloop in 1920. In Kanton Weert van 28-06-1920 staat een artikel dat niet digitaal raadpleegbaar is.

Vervolgens worden op het bouwperceel 10 huizen gebouwd, door de Bouwvereniging St. Martinus aan de Emmasingel nummers 39, 41, 43 en 45 en 6 huizen aan de Begijnhofstraat (inmiddels afgebroken).

Bovenstaande tekst: Herman Mathijsen | Foto: gemeentearchief Weert 2162

Marker geeft de bebouwing aan van de voormalige Begijnhof. Grenzend aan de Korenmarkt, Begijnensteeg, Maasstraat en Emmasingel lag het klooster der Wittevrouwen of Kanunnikessen van de H. Augustinus met de naam Maria-Wijngaard. In de eerste helft der vijftiende eeuw woonden daar drie vrome maagden, die een congregatie van de derde regel van de H. Franciscus vormden. In 1442 stond de bisschop van Luik de bouw van een kapel toe. De zusters verklaarden in 1446 dat maximaal zestig religieuzen in het convent toegelaten zouden worden. In 1460 namen de zusters het kleed van de orde van de H. Augustinus aan en gingen over naar de regel van Windesheim. In 1525 werd met de bouw van een kerk begonnen, die op 20 april 1539 door de Luikse wijbisschop Gideon van der Gracht gewijd werd.

Begijnhof
Een begijnhof is een verzameling van individuele en/of gemeenschappelijke woningen, huizen en conventen van begijnen, meestal in de nabijheid van een kapel of kerk en al dan niet omgeven door een muur met een of meerdere toegangspoorten. Specifiek voor Nederland spreekt men van hofje om een reeks kleine huisjes aan te geven waarin alleenstaande of bejaarde personen verblijven. Het begijnhof als bijzondere ruimtelijk gesitueerde stedelijke bewoningsvorm wordt alleen in de Nederlanden aangetroffen, sporadisch in Noord-Nederland en Wallonië.

De Nederlanden telden er te beginnen met de 12e eeuw na verloop van jaren een zeventigtal. De begijnenbeweging waaruit deze bewoningsvorm voortkwam is in de late middeleeuwen een alom voorkomend Europees fenomeen. Om politieke en religieuze redenen stierf de beweging voor 1400 uit in de rest van Europa, en werd in de Lage Landen sterk aan banden gelegd.

Het ontstaan van religieuze stromingen van alleen levende vrome vrouwen had plaats tussen de 12e eeuw en het begin van de 13e eeuw, in de tijd toen de heksenvervolging de kop opstak en de naam begijn nog niet in gebruik was maar eerder als spotnaam voor ketterse vrouwen gebruikt werd. Deze vrouwen leefden verspreid in de stad of op de buiten zonder enige vorm van organisatie. In de loop van de 13e eeuw neemt de omvang van de groeperingen toe zodat ze zich meer en meer buiten de stadspoorten vestigen in nieuw opgerichte begijnhoven omgeven met een gracht en ommuurd. Door hun eigen kerk hoeven ze zich niet meer naar de kerken in de stad te begeven. De naam begijn werd ondertussen, vanaf het midden van de 13e eeuw gebruikt om de orthodoxe vrome vrouwen aan te geven en de ketterse bijgedachte zwakte langzaam af.

In de tijd voor de opkomende Europese heksenvervolging werden ook individuele begijnen geviseerd. Ook hele begijnhoven werden door de opkomende repressie tegen vrouwen gekenmerkt toen het Concilie van Vienne (1311-12) opriep tot maatregelen tegen ‘ketterse’ begijnen. Als gevolg werden veel begijnenconventen, vooral in het Duitse Rijk, ofwel gesloten, of omgevormd tot kloostertjes van franciscaanse tertiarissen, wat ze afhankelijk en beter controleerbaar maakte voor de clerus. En in 1325 bepaalde de bisschop van Luik dat de begijnen van Saint-Christophe, op straf van excommunicatie, “niet in het openbaar zullen dansen of onbehoorlijke liederen zingen”. Gelijkaardige clausules vindt men terug in de begijnenstatuten van Sint Truiden en Antwerpen uit deze tijd. Enkele al te schaarse gegevens laten een niet-liturgische traditie van religieuze dans en zang onder begijnen vermoeden.

In 1401 werd in het tertiarissenkapittel opgericht in Utrecht om deze vrouwen beter te controleren. Aan het eind van de 14e eeuw reageerde Christine de Pizan tegen de vrouwenverdrukking, het geweld en de algemene geest van antifeminisme uit die tijd met onder andere haar boek La Cité des Dames, (De stad der Vrouwen), een soort geïdealiseerde vorm van het begijnhofconcept uit 1405.